Zomaar, om bij te blijven
De Driepoot-roodborst
Aanmelden medewerkers

De Weteringen

“Wie water deert, keere het”

Het ontstaan

Reinald II, de toen ongeveer 26 jaar oude gravenzoon, die in het prille begin van 1321 de grondwet voor de water lossing in het Land van Maas en Waal bezegelde, moet gemeend hebben, dat hij hiermede een modern en voor de eeuwen geldend complex van voorzieningen en rechtsregels in het leven riep, dat niet weinig zou bijdragen aan de welvaart in zijn rivierenland.

NweWeterrWant er is reden te over voor de stelling dat de jonge Reinald, die toen voor zijn vader optrad zonder daartoe formeel gerechtigd te zijn, zijn tijd vooruit was.

Het systeem dat hij toen – 650 jaar geleden – voorschreef, komt in menig opzicht overeen met de feitelijke situatie zoals die thans bestaat. De merkwaardige situatie doet zich zelfs voor, dat de waterstaatkundige toestand in het gebied tussen Maas en Waal op het moment van het schrijven van deze tekst – 1971 – heel wat méér weg heeft van het beeld, dat Reinald voor ogen stond dan het gebrekkige waterlossingssysteem waardoor de streek eeuwenlang geteisterd is.

Er zijn hier nu twee weteringen waarvan de oudste begint onder de rook van Nijmegen en bij Dreumel in de Maas loost. Maar die wetering, die er volgens Reinald al in 1321 had moeten komen, is pas in de vijftiger jaren van de 20e eeuw voltooid.

In deze wetering zitten inderdaad thans stuwen, die moeten voorkomen, dat bij grote aanvoer het water beneden buiten zijn oevers zou treden om het lager gelegen land te overstromen.

De toen al geformuleerde regels, dat het ontwateringssysteem dienstbaar moet zijn aan elk deelgebied, dat ieder, die ervan profiteert, zal moeten meebetalen in de kosten ervan en dat grondbezit vereist is voor bestuurlijke invloed, gelden nog onverkort.

 

De Nieuwe Wetering

Vergeleken bij de Oude Wetering, waarover méér dan 5 eeuwen bijna continu geprocedeerd is, blijkt de wat jongere Nieuwe Wetering een watergang van onbesproken gedrag, die voldeed aan de verwachtingen van degenen die haar lieten graven.

Deze wetering is inderdaad wat jonger en draagt dus terecht haar naam. De onderzoekingen van professor Pons hebben aangetoond, dat de Nieuwe Wetering gegraven is, nadat hertog Reinald in 1321 zijn dijkbrief uitgaf.

Tevoren loosden een groot deel van Weurt en voorts Hees, Hatert en Neerbos eenvoudig op het toen nog niet of nauwelijks ontgonnen grote kerngebied tussen Beuningen en Wijchen.

De tweede grote wetering in het land tussen Maas en Waal zou moeten lopen “van Appelteren tot in de Haerenre Meer ende voert op alzoe veer als den heymraedt s’Landtz orbaer dunckt”.

Zo geschiedde het ook.

 


Uit het verleden I

26 april 1562
Er zijn al jarenlang lopende geschillen tussen enerzijds de ex-burggraaf Reinier van Wijhe, heer van Hémen, de vrouwe van Batenburg en de ambtman van Maas en Waal en anderzijds de heemraden van het Rijk van Nijmegen en de bewoners van het schependom, die gesteund worden door het stadsbestuur. Drie burggraven, Seger van Groesbeek die in het leger is gegaan, Frans van Galen, die in 1558 is vermoord en Godert Baerdt, die slechts tijdelijk functioneerde, hebben er zich mee bemoeid en de huidige burggraaf, George (Jorrien) van Lynden, tracht zich er buiten te houden. De geschillen betreffen het vernielen van het Palicker schutlaken, het doorsteken van de Teersdijk, het recht van appèl op de vonnissen van de dijkstoel in het Rijk van Nijmegen en het betalen der kosten van de vele processen.Die dijkstoel van het Rijk van Nijmegen heeft Reinier van Wijhe veroordeeld tot het betalen van 41 Car. guldens onkosten en daartegen wil Van Wijhe in beroep. De ex-burggraaf stelt, dat tegen vonnissen van de dijkstoel van het Rijk van Nijmegen hoger beroep mogelijk is op de dijkstoel van Maas en Waal omdat de eerste uit de laatste “gesproten” is.

Het Hof, dat er enige malen bijgehaald is, spreekt zich daarover niet uit, maar vindt dat er in elk geval hoger beroep moet zijn en dan maar op de “vier stoelen”. Doch de bewoners van het schependom, i.c. het stadsbestuur van Nijmegen, verweren zich zowel tegen het één als het ander.

 


 

Gegraven in 14e eeuw

De wetering werd — waarschijnlijk nog in de 14e eeuw — gelegd vanaf de Tuut (zie foto) in Appeltern tot in het Harense Meer.

tuutVandaar is de wetering – mogelijk wat later – kaarsrecht door de broeklanden heen doorgetrokken in oostelijke richting tot aan de Palkersdijk. In die Palkersdijk werd een sluisje gelegd, het z.g. Palicker schutlaken, waar het water vanuit het Neerbosse en het Teerse broek op min of meer natuurlijke wijze naar toe vloeide.

Het benedenstuk van deze wetering, d.w.z. het gedeelte van de Tuut tot ongeveer het Ewijkse broek, is hoogstwaarschijnlijk gelegd in een van nature al bestaand tracé, doch het bovenstuk ervan doorsnijdt de oude perceelsgrenzen en is dus volledig gegraven.

Evenals hij dat voor de Oude Wetering voorschreef, moesten er naar de mening van graaf Reinald ook in deze wetering drie schutlakens worden gelegd. Die moesten respectievelijk liggen “boeuven der Tuyt daer ‘t gerycht van Apelteren uytgaet”, „tusschen Haeren ende Hernen” en „boeuven Wesel inden broeck daer den hemraet des Lants oirber dunckt”.

Zeker is echter slechts, dat dit derde en bovenste schutlaken inderdaad is gelegd.

Voor het doorgaande verkeer waren er destijds slechts enkele verbindingswegen tussen de steden, die vaak heerenwegen werden genoemd, i.t.t. de buurtwegen in de dorpen, waaraan de huizen stonden.

Meestal was een plaats waar een weg de wetering doorkruiste een doorwaadbare plaats. Zowel de Oude als de Nieuwe Wetering hadden diverse van deze oversteekplaatsen, waar men puin of grind op de bodem had geworpen om te voorkomen dat passanten in de modder zakten.

 

Balgooyse en Niftrikse Wetering

Het zuid-oostelijk deel van het land tussen Maas en Waal heeft waarschijnlijk altijd zijn eigen uitwateringssluizen op de Maas gehad, al liet Reinald II in zijn dijkbrief van 1321 duidelijk de mogelijkheid open om ook dit gebied aan te sluiten op de Nieuwe Wetering.

Deze wetering diende immers doorgetrokken te worden zo ver als de heymraedt dat wenselijk achtte en daarenboven beloofde de gravenzoon zijn waterschapsbestuur ook rechtsbescherming in de heerlijkheden Heumen en Balgoy.

Uit de dijkbrief kan men niet lezen, dat er niet méér dan de twee genoemde weteringen mogen zijn, maar het is zeer wel denkbaar, dat de ontwerpers van deze waterstaatsgrondwet al het beeld voor ogen zweefde van één in Appeltern uitmondende wetering, waarop geloosd kon worden door alle lage landen tot aan Mook toe, waar ook de dijkschouw begon. Omdat dit havengebied gescheiden wordt door een rug van hogere gronden tussen Heumen en Wijchen, zou het nodig zijn geweest deze wetering twee vertakkingen te geven. De noordelijkste daarvan – de waterlossing via de Teerse sluis naar Heumen – is inderdaad na 1321 aangelegd en er zijn later diverse plannen gemaakt om die Nieuwe Wetering door te trekken naar het stroomgebied van de Balgoyse en Niftrikse Wetering.

 


Uit het verleden II

16 november 1562

In 1573 is ook in de heerlijkheid Balgoy de dijk doorgebroken en de ruzie die over de reparatie is ontstaan heeft nog meer schade berokkend dan de watersnood zelf.

Daarom wordt ook voor Balgoy een dijkordening vastgesteld, waarin wordt bepaald, dat de inwoners van Balgoy en Keent in het vervolg samen een gebroken dijk moeten repareren.

Bij dreigend gevaar zullen ze met de klokkenslag samen op de dijk geroepen worden. In het vervolg zullen de heer van Balgoy en de heemraden schouw voeren op de dijken en tegen dijkverlaters zal geprocedeerd worden op basis van het dijkrecht in Maas en Waal.

Zoals dat in de 19e en 20e eeuw het geval was, zal het ook in vroeger tijden niet gelukt zijn overeenstemming te bereiken over het aandeel dat ieder in de kosten van die gezamenlijke waterleiding zou moeten dragen. Aldus bleven deze kerspels hun eigen sluizen en waterleidingen houden en deze situatie is tot in onze tijd blijven bestaan.

Het sluisje bij de Kievitshof in het boveneind buiten beschouwing gelaten, had de Balgoyse wetering slechts één schutlaken, dat lag op de grens tussen Balgoy en Nederasselt. Evenals het sluisje van Heumen mocht ook dit schutlaken pas drie dagen nadat de grote sluis op de Maas was gaan uittrekken, geopend worden.

Het schutlaken diende om het grondgebied van Balgoy te beschermen tegen het overstromingswater uit Neerasselt, doch evenals dat ook in het benedengebied van Maas en Waal zo vaak het geval was, lukte dat slechts zeer ten dele. De hoeveelheid kwelwater die onder de vele kilometers lange dijk tussen Balgoy en Heumen doorsijpelde, was zo groot, dat de capaciteit van de wetering en de mogelijkheden om natuurlijk te lozen, hoogst onvoldoende waren.

Uit talrijke gegevens blijkt, dat ook de wallen van de Balgoyse wetering te laag waren, zodat elke winter en voorjaar het water, dat eerst de Overasseltse en Neerasseltse Broeken had overstroomd, aan beide zijden van het schutlaken over de wallen liep om enerzijds nagenoeg het gehele gebied van Balgoy te inunderen en anderzijds af te stromen naar het Wijchense meer, dat op zijn beurt weer onderliep en Leur onder water zette.

 


 

Citters1Gemalen

In 1910 is een beweging op gang gekomen, waardoor er in een tijdsbestek van enkele jaren voor Maas en Waal en het Rijk van Nijmegen niet minder dan vier gemalen werden gebouwd, waaronder de Citters I aan de Niftrikse wetering en de Citters II aan de Balgoyse wetering.
Directe aanleiding daartoe was de komst van de nieuwe commissaris van de koning, jhr. S. van Citters, die op 24 februari 1910 het hevig door kwelwater geteisterde gebied bezocht. In de meeste dorpen stond toen een aantal huizen in het water en de commissaris was diep onder de indruk van het leed en de armoede waarmede hij geconfronteerd werd.

Dat liet de heer Van Citters duidelijk merken aan de beide dijkgraven die hem vergezelden, de heren P. H. Noorduyn uit Nijmegen en P. G. de Leeuw uit Alphen, tegen wie hij er telkenmale zijn verwondering over uitsprak dat er aan deze wateroverlast niets gedaan werd. Zij kregen van hem tenslotte het dringend advies om nu eindelijk eens “de hand aan de ploeg te slaan”.

Het stoomgemaal De Tuut in Appeltern (zie: De Tuut) had eveneens een belangrijke functie in de afwatering door lozing in de de Maas. Het gemaal is gebouwd tussen 1916 en 1918 en was decennia lang een van de acht stoomgemalen in het Land van Maas en Waal die voor de afwatering zorgden.

De Tuut is het enige van de 34 stoomgemalen in het Gelders rivierengebied dat bewaard is gebleven.


Uit het verleden III

1455 des dinxdaghes na St. Victorisdach

De geërfden van Bergharen, Beuningen en Ewijk hebben zich erover beklaagd, dat het water van boven de Teersdijk op hun land terecht komt en daar veel schade aanricht, terwijl de geërfden van boven de Teersdijk niet meebetalen in de kosten van de Appelternse sluis, waardoor dit water uiteindelijk geloosd moet worden.

Er vindt een procedure plaats, waaraan behalve de dijkstoelen van Maas en Waal en Rijk van Nijmegen, ook die van de Over-Betuwe te pas komt. Door die “driestoel” wordt dan uitgemaakt, dat de Teersdijk dicht zal moeten blijven totdat de daarboven geërfden mee zullen betalen in de kosten van de Nieuwe Wetering en de Appelternse sluis.

Er volgde daarop een besluit van 9 maart 1910, waarin G.S. het bestuur van de Gecombineerde Waterlossing dringend aanspoorden thans onverwijld en volledig de opdracht te vervullen waarvoor het waterschap in 1882 in het leven was geroepen.

Indien het waterschapsbestuur thans niet direct zélf voor een bemaling zou zorgen, dan zouden G.S. op grond van de waterstaatswet bepaalde plannen laten uitvoeren en de kosten daarvan over het gehele gebied omslaan.

De vrij forse aansporing van G.S. kwam sommige waterschapsbestuurders waarschijnlijk niet ongenegen, want enkele jaren eerder was al een door hen verdedigd bemalingsplan door de meerderheid van de Verenigde Vergadering van tafel geveegd.

Al in 1901 had dijkgraaf H. W. J. C. van der Sijp samen met zijn heemraad P.G. de Leeuw circulaires rondgestuurd in Maas en Waal waarin zij hadden gepleit voor irrigatie- en bemalingswerken.

Zij hadden ‘s zomers bij grote droogte en in het najaar zodra het vee op stal was, vet rivierwater willen inlaten om dat water er vroeg in het voorjaar via stoommachines op de Leeuwense en Blauwe sluis weer uit te pompen.


Bron: H. van Heiningen – ‘Tussen Maas en Waal’ (650 jaar geschiedenis van mensen en water)

 

  • A  A  A  A  
    Tweets


    Copyright © 2014. All Rights Reserved.